Diabetes mellitus

Diabetes mellitus ofwel suikerziekte is een stofwisselingsstoornis die gekenmerkt wordt door een hoge bloedsuikerspiegel. Dit kan veroorzaakt worden door een te lage productie van insuline door de pancreas (alvleesklier) of doordat het lichaam niet goed reageert op de werking van insuline.

Diabetes mellitus betekent letterlijk ‘honingzoete doorstroming’. De naam is ontleend aan één van de belangrijkste verschijnselen bij diabetes, namelijk de productie van grote hoeveelheden zoete urine. Dit is het gevolg van een te hoge concentratie van glucose in het bloed. Bij de gezonde mens zit er geen glucose in de urine, de nieren laten namelijk bij een normaal bloedglucosegehalte geen glucose in de urine door. Als de concentratie glucose in het bloed echter boven een bepaalde waarde uitstijgt, zijn de nieren niet meer in staat om alle glucose tegen te houden en komt een deel ervan in de urine terecht.

Vroegtijdige signalering van deze ziekte is van groot belang, omdat op termijn ernstige complicaties met blijvende schade kunnen ontstaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om complicaties aan de ogen, de zenuwen, de nieren, het hart en de bloedvaten. Bij een vermoeden moet altijd zonder aarzelen worden doorverwezen naar een arts.

In 2005 waren er in Nederland ruim 600.000 mensen bekend met diabetes mellitus. Jaarlijks komen daar ongeveer 70.000 patiënten bij, steeds meer op jongere leeftijd (www.nationaalkompas.nl). Van alle diabetespatiënten krijgt 25% te maken met een voetprobleem. Van hen krijgt 10 tot 25% een voetulcus (een ernstige zweer aan de voet)

Feitenoverzicht diabetes

Cijfers die erkend zijn door het RIVM en het ministerie van VWS, aangepast aan de trend die er in de ontwikkeling van de aantallen is vastgesteld.

Er zijn in Nederland 600.000 mensen bekend met diabetes type 1 en type 2.

  • Daarnaast hebben 200.000 tot 250.000 mensen diabetes zonder dat ze dat weten.
  • Dat betekent dat 1 op de 19 Nederlanders diabetes heeft.
  • Ongeveer 85 procent heeft diabetes mellitus type 2.
  • Ongeveer 15 procent heeft diabetes mellitus type 1.
  • Jaarlijks krijgen 70.000 mensen diabetes.
  • Het duurt doorgaans vier tot acht jaar voordat bij iemand wordt vastgesteld dat hij/zij diabetes heeft, met het stijgende risico van ernstige complicaties later.
  • Er zijn minimaal 6.000 kinderen met diabetes (tot 19 jaar). Dit is een schatting. 5000 hebben type 1, de rest type 2.
  • Elk jaar komen er minimaal 500 tot 600 kinderen van 0-14 jaar met diabetes type 1 bij, onbekend is hoeveel kinderen met type 2, maar wel zeker is dat dat aantal toeneemt.
  • Ernstig overgewicht en erfelijkheid spelen een grote rol bij de toename van het aantal mensen met diabetes.
  • Leden van etnische groeperingen hebben een verhoogd risico op diabetes, met name personen van Hindoestaans-Surinaamse, Turkse, Marokkaanse en overig-Surinaamse afkomst.
  • Diabetes type 2 komt meer voor bij meisjes dan bij jongens: 55 tot 70 procent van de jongeren met type 2 diabetes is meisje.

Diabetes mellitus type 1

Bij type 1 diabetes of insulineafhankelijke diabetes mellitus (IADM) maken de betacellen van de Eilandjes van Langerhans in de pancreas (bijna) geen insuline meer. De insulineproducerende betacellen zijn vernietigd door eigen afweercellen. Er is hierbij dus sprake van een absoluut tekort aan insuline.

Het afweerproces dat de betacellen te gronde richt kan wel enkele jaren duren. In deze periode zijn er voldoende gezonde betacellen over die insuline maken, dus uiterlijk zijn er op dat moment nog geen verschijnselen. Pas wanneer er zoveel betacellen vernietigd zijn dat de insulineaanmaak te kort schiet, komen de symptomen tot uiting en vaak wordt dan pas de diagnose diabetes gesteld.

Vroeger werd deze vorm van diabetes ook wel jeugddiabetes of congenitale (aangeboren) diabetes genoemd, vanwege de vrij jonge leeftijd waarop de ziekte zich openbaart en de erfelijke factor die mee lijkt te spelen bij het ontwikkelen van diabetes mellitus type 1. De verschijnselen van de ziekte beginnen meestal vrij plotseling (binnen enkele dagen tot weken) en ontstaan meestal vóór het 30ste levensjaar, maar kunnen ook daarna pas optreden. Zonder behandeling met insuline zullen patiënten met een type 1 diabetes uiteindelijk aan de ziekte overlijden.

Diabetes mellitus type 2

In Nederland lijden naar schatting meer dan 600.000 mensen aan diabetes. Het merendeel hiervan heeft type 2 diabetes, ook wel niet insulineafhankelijke diabetes mellitus (NIADM) genoemd. Hierbij is in eerste instantie geen sprake van een absoluut insulinegebrek, zoals bij type 1. De pancreas maakt nog wel insuline, maar de aanmaak en de afgifte ervan is verstoord. Bovendien is het lichaam minder gevoelig geworden voor de werking van insuline, waardoor meer insuline nodig is om hetzelfde effect te krijgen (insulineresistentie). Uiteindelijk kunnen de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier ook uitgeput raken.

Aan het ontstaan van type 2 diabetes gaat een fase vooraf van zogenoemde‘gestoorde glucosetolerantie’. In deze fase zijn er al afwijkingen in insulinegevoeligheid en afgifte van insuline. Dat leidt ertoe dat de glucose in het bloed niet helemaal goed verwerkt kan worden, maar de glucosespiegels in het bloed zijn nog niet zo hoog dat er sprake is van diabetes. Deze fase is echter wel vaak een voorbode van type 2 diabetes.

Niet insulineafhankelijke diabetes openbaart zich meestal pas na het 40ste levensjaar. De ziekte wordt daarom ook vaak ouderdomsdiabetes of verworven diabetes genoemd. Uit recente cijfers blijkt echter dat de leeftijd van de mensen bij wie type 2 diabetes wordt geconstateerd steeds lager wordt (www.diabetesfonds.nl).

Bij type 2 diabetes kan de bloedsuikerspiegel meestal op peil gehouden worden met medicatie in de vorm van tabletten. In sommige gevallen is er echter toch een behandeling met extra insuline noodzakelijk.

Overige vormen van diabetes mellitus

Zwangerschapsdiabetes

Zwangerschapsdiabetes wordt als een aparte vorm van diabetes beschouwd. Hierbij wordt de te hoge bloedglucosewaarde pas tijdens de zwangerschap ontdekt. Sommige zwangerschapshormonen bieden weerstand tegen de werking van insuline, waardoor er een verminderde glucosetolerantie optreedt. Om te voorkomen dat het kind veel te zwaar wordt, is het belangrijk om het bloedglucosegehalte weer tot een normaal niveau te brengen.

Secundaire vormen van diabetes

Onder secundaire vormen van diabetes verstaan we het ontstaan van diabetes als gevolg van andere ziektes. Voorbeelden hiervan zijn een alvleesklierontsteking (meestal als gevolg van overmatig alcoholgebruik of kleine galsteentjes), het gebruik van bepaalde medicijnen (bijnierschorshormonen en plastabletten) en afwijkingen in de insulinereceptor.

Prediabetes

Bij sommige bloedverwanten van mensen met een type 1 diabetes bevinden zich, net als bij de type 1 diabeten zelf, in het bloed antistoffen tegen de eigen alvleesklier. Wanneer deze bloedverwanten een normaal bloedglucosegehalte en een normale glucosetolerantie hebben, spreken we van prediabetes. Deze mensen hebben een verhoogd risico op het ontstaan van diabetes op latere leeftijd.

 

Mogelijke oorzaken van diabetes mellitus

Diabetes mellitus kan het gevolg zijn van (een combinatie van) de volgende factoren:

  • immunologische factoren;
  • genetische factoren;
  • insulineresistentie bij bijvoorbeeld overgewicht, hypertensie (hoge bloeddruk);
  • zwangerschap;
  • geneesmiddelen (zoals corticosteroïde, thiazidediurecta);
  • aandoeningen van het pancreas (chronische pancreatitis, hemochromatose);
  • andere endocriene afwijkingen (M. Cushing, acromegalie, feochromocytoom);
  • overig (insulinereceptorafwijkingen).

Voor het ontstaan van type 1 diabetes is nog geen duidelijke oorzaak bekend. Waarschijnlijk is er sprake van een samenspel van meerdere factoren. Zo wordt onder andere uitgegaan van een genetische aanleg. De ziekte zou echter pas later tot uitdrukking komen nadat, bijvoorbeeld door een virusinfectie, een soort ontsteking is ontstaan van de Eilandjes van Langerhans in de alvleesklier. Daarbij worden antistoffen tegen de eigen alvleesklier gevormd waardoor ten slotte de meeste betacellen vernietigd worden.

Onderzoek wereldwijd richt zich op de vraag waardoor en hoe deze afweerreactie tegen de insulineproducerende cellen veroorzaakt wordt. Juist deze vroege periode waarin nog niet alle betacellen zijn vernietigd, is het aangewezen tijdstip om beginnende diabetes te onderkennen en een halt toe te roepen.

Risicofactoren type 2

Voor het ontwikkelen van diabetes mellitus type 2 is wel een aantal risicofactoren bekend. Er bestaat namelijk een groter risico op diabetes type 2 als de persoon:

  • ouder is dan 45 jaar;
  • overgewicht heeft;
  • eerstegraads familieleden heeft met diabetes mellitus;
  • bekend is met zwangerschapsdiabetes in de voorgeschiedenis;
  • moeder is van kind(eren) met een geboortegewicht van meer dan 4000 gram;
  • een manifeste hart- en vaatziekte heeft;
  • last heeft van hypertensie;
  • een vetstofwisselingsstoornis heeft;
  • te maken heeft met een etnische belasting (dit kan met name het geval zijn bij Hindoestanen).

Symptomen en gevolgen van diabetes mellitus

De symptomen die kenmerkend zijn voor diabetes mellitus zijn vrijwel allemaal het gevolg van de verstoorde suikerstofwisseling en de daardoor te hoge bloedglucosewaarde. Bij type 2 diabetes kunnen dezelfde symptomen voorkomen als bij type 1. Vaak blijft de aanwezigheid van diabetes bij type 2 patiënten lang onopgemerkt, omdat het beloop zeer sluipend is en de klachten nog gering zijn.

Hieronder wordt kort ingegaan op de meest voorkomende symptomen die wijzen op de aanwezigheid van diabetes mellitus.

Polyurie (veel plassen): de nieren kunnen een te hoge bloedglucosewaarde niet aan. Ze laten een deel van de glucose door, zodat dit deel in de urine terecht komt. Omdat glucose water aantrekt, zullen de nieren ook meer vocht doorlaten. Dit heeft tot gevolg dat de hoeveelheid urine groter wordt dan normaal.

Hevige dorst: omdat er meer uitgeplast wordt, gaat men ook meer en vaker drinken. Eenderde van de patiënten die zich met overmatige dorst bij de huisarts presenteren, blijkt diabetes mellitus te hebben.

Ernstige vermoeidheid: de lichaamscellen halen energie uit de verbranding van glucose en vetten. Omdat er bij diabetes mellitus te weinig glucose in de lichaamscellen komt, is er alleen sprake van verbranding van vetten. Het lichaam mist hierdoor een grote energiebron, wat zich uit in een ernstige mate van vermoeidheid.

Gewichtstoename of -afname: omdat zowel de koolhydraat-, de eiwit- als de vetstofwisseling niet goed functioneren, kan er gewichtstoename of -afname optreden. Vermagering is vooral kenmerkend voor diabetes mellitus type 1. Bij type 2 diabeten is vaak sprake van een gewichtstoename.

Uitdroging: mede door het vele plassen raakt de waterhuishouding verstoord. Er gaat veel natrium verloren, waardoor het lichaam het water minder goed kan vasthouden. Dit kan leiden tot uitdroging.

Jeuk: de huid wordt droger door het vele vochtverlies. Hierdoor ontstaan er kleine scheurtjes in de opperhuid. Dit geeft jeukklachten.

Sufheid: door een ernstige ontregeling van de suikerstofwisseling neemt de verzuring in het bloed toe. De patiënt kan hierdoor last krijgen van sufheid. Ook bij hypoglycemie (een te laag glucosegehalte van het bloed) kan er sufheid optreden.

Slechter zien: het gezichtsvermogen kan verminderen door hoge of sterk wisselende bloedglucosewaarden. Vaak ligt de oorzaak in een verandering van de vochthoudendheid van de lens.

Dubbelzien: heel soms klagen diabetespatiënten over dubbelzien wanneer men een bepaalde kant op kijkt. Dit wordt veroorzaakt door een verlamming van één of meerdere oogspiertjes, doordat de zenuw die deze spiertjes bestuurt is beschadigd.

Verminderde weerstand tegen infecties: door een te hoog bloedglucosegehalte kan de afweer tegen infecties verminderd zijn. Dit leidt tot recidiverende (zich steeds herhalende) infecties. De oorzaak ligt waarschijnlijk in een verslechterde werking van witte bloedlichaampjes. De meest voorkomende infecties bij diabetes zijn: blaasontsteking, huidinfecties (vooral steenpuisten), schimmelinfecties (vooral aan voeten, geslachtsorganen en mondholte). De verhoogde mate van vatbaarheid voor infecties verdwijnt meestal zodra het bloedglucosegehalte weer is gedaald.

Langetermijncomplicaties: op de lange termijn kan een te hoog bloedglucosegehalte leiden tot (ernstige) beschadigingen van het zenuwstelsel en de bloedvaten, complicaties van de ogen, de nieren en het hart, en tot het ontstaan van een ‘diabetische voet’.

Vergiftiging: het insulinetekort heeft tevens een negatieve invloed op de eiwitstofwisseling. Bij gebrek aan glucose in de lichaamscellen verbrandt het lichaam, naast vetten, ook eiwitten, om zo aan meer energie te komen. Op deze manier worden er meer eiwitten afgebroken dan aangemaakt. Dit heeft tot gevolg dat de bouwstenen van de eiwitten, de aminozuren, zich ophopen in de bloedbaan. De lever zal dit teveel aan aminozuren omzetten in glucose, waardoor de bloedglucosewaarde nog sterker stijgt. Dit leidt tot het aanmaken van ureum, een zeer schadelijke stof voor het lichaam. Langzaam zal het lichaam zichzelf vergiftigen. De lever kan zó ernstig belast worden dat dit kan leiden tot een coma of de dood.

Multidisciplinaire benadering van diabetespatiënten

Door de uiteenlopendheid van klachten en complicaties komt een diabetespatiënt, zodra de diagnose is vastgesteld, in aanraking met verschillende disciplines.
De huisarts is het eerste aanspreekpunt voor de patiënt. De huisarts heeft onder andere een signalerende functie: bij verdenking op beginnende diabetische complicaties zal de huisarts de patiënt doorverwijzen naar andere disciplines.

Sommige huisartsenpraktijken en verschillende ziekenhuizen en gezondheidscentra beschikken over een diabetesteam of diabetescarrousel. Hierin kunnen enkele of meer van de volgende disciplines plaatsnemen:

  • een diabetesverpleegkundige;
  • een internist/diabetoloog;
  • een orthopeed;
  • een vaatchirurg;
  • een revalidatiearts;
  • een dermatoloog;
  • een oogarts;
  • een gipsverbandmeester;
  • een podotherapeut/ registerpodoloog;
  • een pedicure met diabetesaantekening;
  • een diëtist;
  • een wondverpleegkundige;
  • een orthopedisch schoenmaker.

Behandeling van diabetes mellitus

Een diabetespatiënt wordt opgevangen door een multidisciplinair netwerk, waarbij onder andere een huisarts, een diabetesteam, en een pedicure betrokken kunnen zijn. Elke discipline stelt haar eigen doelen op, gericht op herstel of voorkoming van (ernstigere) complicaties. Deze complicaties kunnen niet voorkomen of verminderd worden, zonder dat de bloedsuikerspiegel genormaliseerd is. Het eerste en belangrijkste doel van de behandeling van diabetes mellitus is daarom het stabiliseren van de bloedglucosewaarde op een normaal niveau. De bloedsuikerspiegel ligt bij een gezond persoon tussen de 4 en 10 mmol/l. Bij een diabetespatiënt kan de bloedsuikerspiegel oplopen tot 30 of 40 mmol/l. Er zijn verschillende maatregelen die bij de behandeling kunnen worden toegepast:

  • dieetadviezen;
  • tabletten;
  • insuline.

Dieetadviezen

Vroeger moesten diabetespatiënten zich aan een streng dieet houden. Tegenwoordig krijgen ze vooral adviezen over een gezonde voeding. Deze adviezen worden vaak gegeven door een diëtist. Heel belangrijk is regelmatig eten: er dienen geen maaltijden overgeslagen te worden. In de maaltijden moeten oplosbare voedingsvezels zitten zoals in groente, fruit, en peulvruchten. Deze voedingsvezels hebben een gunstige invloed op de bloedglucosewaarde en het insulinegehalte na de maaltijd. Gevarieerd eten en matig zijn met vet, suiker, zout, en alcohol, zijn adviezen die voor iedereen gelden, maar diabetespatiënten dienen hier extra aandacht aan te besteden.

Tabletten

Als de pancreas nog enigszins functioneert, kan een patiënt met diabetes type 2 goed geholpen worden met tabletten. Voorwaarde is dat deze tabletten gecombineerd worden met een goed voedingsadvies. De tabletten hebben een glucoseverlagende werking in het bloed. Het blijft nodig om regelmatig de bloedglucosewaarde te testen. Tijdens de zwangerschap wordt het gebruik van tabletten afgeraden, omdat ze schadelijk zijn voor de foetus.

Insuline

Als bij type type 2 diabeten de voedingsadviezen en de hierboven beschreven tabletten onvoldoende helpen, zullen zij worden behandeld met insuline. Type 1 diabeten worden altijd behandeld met insuline. Insuline kan toegediend worden met een injectiespuit, een insulinepen of een insulinepomp. Tabletten met insuline bestaan niet, omdat deze in de maag afgebroken en omgezet zouden worden in aminozuren. Daarmee zou de insuline niet in de bloedbaan terecht komen.